Hoofdstuk 12

Ik was verkenner. Ik had me vrijwillig kandidaat gesteld, denkend dat het een betoverende job was. Het was een afschuwelijke job, je kroop elke nacht rond in niemandsland, elke seconde verwachtte je problemen. Stomkop die ik was. Maar je wist niet beter en achteraf was het te laat. ‘s Nachts gingen we naar buiten, waar en waarheen ons bevolen werd en voor de dageraad kwamen we terug. Toen rapporteerden we wat we gezien en gedaan en gevonden hadden - meestal niet meer dan heel veel putten en prikkeldraden - en spendeerden we de rest van de dag in de dugouts. Niet in schuilgaten in de loopgraven maar in echte, door soldaten gegraven dugouts onder de grond. Het was een fantastisch gevoel de trappen naar beneden te strompelen en een potje thee te koken. Ze hadden daar ook soepkeukens, weet je. Binnen kon je niets horen behalve als er één naast de deuringang landde, dan sprongen de kaarsen op maar als er een spervuur was trilde het gewoon een beetje. Dat was ‘thuis’ voor ons.


klik hier om groter formaat te zien

 

Private Ted Rimmer, 2/6 Bataljon, King’s Liverpool Regiment

Voor de Britse en de Commonwealth troepen was de komst van de dugouts als integraal onderdeel van de loopgravenoorlog een redding, die vergeleken met de vroegere schuilplaatsen rond Ieper een ongekende mate van bescherming bood. Bescherming ging over het ontsnappen aan de aandacht van de artillerie, het uitspelen van de vindingrijkheid van de ingenieur tegenover de kunde van de artillerieman. Op het einde van 1917 waren de Britten, eindelijk met een paar eigen heuvels waarachter ze konden werken, in de gelegenheid om de geologie van het Passchendaele Ridge complex zelf te onderzoeken. De Royal Engineers en hun Commonwealth collega’s zouden er het beste van maken.

Aantallen en graden van bescherming

Vóór het werk begonnen kon worden, was het noodzakelijk om eerst een planning voor te bereiden, waarin berekend werd hoeveel man accommodatie nodig hadden in een bepaalde sector, zodat de grootte en het ontwerp van de dugout ingeschat kon worden en de benodigde materialen berekend konden worden. Vervolgens moest men de graad van bescherming overwegen, afkomstig van artillerie - en mortiervuur, iets wat met het vorderen van de oorlog mee evolueerde. Het was opnieuw de Duitse 15 cm granaat die als leidraad gebruikt werd. Een gemiddelde penetratie in de ‘gewone’ bovenlagen werd vastgesteld als zijnde 4,05 m. Met dit als controle, identificeerde de RE drie basiscategorieën: splintersafe, medium shellsafe en shellsafe.